Prof. Gilles E. Séralini

Voorzitter bij Criigen

Prof. Gilles E. Séralini is een, op zijn zachtst gezegd, controversieel persoon binnen de wetenschap. Hij is professor aan de universiteit van Caen en voorzitter van the scientific board van The Committee for Research & Independent Information on Genetic Engineering (CRIIGEN). Deze laatste is een lobbygroep die in Europa ijvert voor het verstrengen van de regels omtrent genetisch gemodificeerde gewassen, gesponsord wordt door o.a. Carrefour, Auchan en Sevene Pharma. Ze riepen hun voorzitter nog dit jaar uit tot International scientist of the year

Daarnaast kwam Prof. Séralini ook in het nieuws voor zijn nogal extreme oproep om elke vorm van praktische oefeningen waarbij leerlingen de basisbeginselen bijleren omtrent het transformeren van bacteriën met behulp van een plasmide verboden zou moeten worden op de middelbare school. Dit vanuit het opzicht dat dergelijke praktische lessen een gevoelig onderwerp zouden trivialiseren.

Dergelijke argumenten zijn vergelijkbaar met degene die in Amerika door creationisten geopperd worden over de tijd die gespendeerd wordt aan het uitleggen van de evolutietheorie.

‘If only they would spend more time learning biology… and not learning this aspect of biology we have a problem with.’

Wetenschappelijk werk rond bt-maïs 

Maar als puntje bij paaltje komt, draait het nog steeds om het wetenschappelijke onderzoek dat de man uitvoert. Seralini heeft zich gespecialiseerd in het trachten aantonen dat er negatieve gezondheidseffecten zouden ontstaan na het eten van genetisch gemodificeerde gewassen en dan specifiek na het eten van bt-maïs. In 2007 publiceerde Seralini samen met enkele collega’s een statistische her-analyse, gesponsord door Greenpeace, van de feeding trials van MON863 die tijdens het toelatingsproces voor ggo’s uitgevoerd werden. In 2009 publiceerden ze een tweede paper die gebruik maakte van grotendeels dezelfde statistische methodes maar dan toegepast op feeding trials voor MON863, MON810 en NK603. De studies van Seralini kwamen telkens tot het besluit dat het eten van dergelijke bt-maïs soorten significante gevaren inhield voor de gezondheid.

De studies die Seralini had uitgevoerd werden ondertussen reeds door verschillende instanties inhoudelijk volledig onderuit gehaald. Op vraag van de Europese commissie werd door het EFSA een task force samengebracht om de her-analyse van Seralini in detail na te kijken. David E. Tribe nam de moeite om het volledige verslag van het EFSA door te nemen en de belangrijkste zaken aan te duiden en die op een inhoudelijk manier uitleggen waarom  en waar Seralini met zijn statistische methodes compleet de mist in gaat.

Daarnaast werd een panel samengebracht met verschillende onafhankelijke experten uit de US, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Canada die het onderzoek van Seralini weerlegden op grond van volgende zaken;

…to be unrelated to treatment or of no biological or clinical importance because they failed to demonstrate a dose–response relationship, reproducibility over time, association with other relevant changes (e.g., histopathology), occurrence in both sexes, difference outside the normal range of variation, or biological plausibility with respect to cause-and-effect. The Se ́ralini et al. reanalysis does not advance any new scientific data to indicate that MON 863 caused adverse effects in the 90-day rat study.

Het onderzoek van Seralini werd ook onder de loep genomen door het FSANZ (Food Standards Australia New Zealand) die hiervan een verslag opmaakten en een extra reactie op hun site publiceerden nadat in 2009 de tweede Seralini paper uitkwam. De basisboodschap die ze daarbij telkens brachten was de volgende;

Séralini and colleagues have distorted the toxicological significance of their results by placing undue emphasis on the statistical treatment of data, and failing to take other relevant factors into account.   Reliance solely on statistics to determine treatment related effects in such studies is not indicative of a robust toxicological analysis. There is no corroborating evidence that would lead independently to the conclusion that there were effects of toxicological significance. FSANZ remains confident that the changes reported in these studies are neither sex- nor dose-related and are primarily due to chance alone.

For reasons not stated, the authors did not address the numerous deficiencies of their statistical re-analysis that had been reported by several international regulatory agencies.

Belangrijkste fouten

  1. De eerste belangrijke fout die Seralini en collega’s in hun studies maken is het cherry picken van schijnbaar significante resultaten. Als je een statistische test gebruikt om in 500 metingen op zoek te gaan naar significante verschillen op een significantieniveau van 95% (p = 0,05), dan zal er puur door kans bij 5% van de observaties een significant verschil ontstaan. Men noemt dit ook de type 1 fouten, of vals positieven. Op 500 metingen is dit dus 25, ongeveer het aantal dat Seralini als significant beschouwt. Dit aantal positieve resultaten wijkt dus niet af van de normale achtergrond variabiliteit, het aantal positieve resultaten dat omwille van de aanwezigheid van 5% vals positieven, verwacht wordt.
  2. Intuïtief zal iedereen begrijpen dat als men iets gevaarlijks eet, hoe meer men er van eet, hoe gevaarlijker dat natuurlijk wordt. Wetenschappelijk wordt dit het “dose-response” effect genoemd. Het effect van een toxische stof zal sterker aanwezig zijn, naarmate men meer van de toxische stof binnenkrijgt. In geen enkele van de testen die Seralini uitvoerde kon hij een dose-response effect aantonen. De effecten waren ofwel sporadisch zichtbaar, of verbeterden naarmate meer werd ingenomen. Het is dus ook duidelijk dat met dergelijke resultaten geen enkel toxicologische link kan hardgemaakt worden.
  3. Naast het misbruiken van statistische methodes blijkt Seralini ook niet te beseffen dat er naast statistische significantie ook zoiets bestaat als praktische en biologische significantie. Het is niet omdat je met statistiek een bepaald significant verschil kunt aantonen, dat daar logischerwijs uit volgt dat het ook biologisch relevant is. Met een voorbeeld wordt dit onmiddellijk duidelijk; iedere maaltijd die wij maken zal qua nutriënten samenstelling van elkaar verschillen, dit zegt natuurlijk helemaal niets over de veiligheid van deze specifieke maaltijden op zich.

Schuyler W. Huck schreef over dergelijke misvattingen een boek getiteld “Statistical misconception” waarin hij op een heel begrijpbare manier de grootste fouten die tegen de statistiek gemaakt worden en de verkeerde besluiten die uit statistische analyses gehaald worden, bespreekt. Over het verschil tussen statistische significantie en praktische significantie schrijft hij bv. het volgende;

Why This Misconception Is Dangerous
There are two kinds of significance—statistical significance and practical significance—and they refer to entirely different concepts. To think that one implies the other is tantamount to thinking that a bridal shower and a bathroom shower are the same thing, or that the King of Hearts is equivalent to the King of England. Whereas few people would ever confuse these two kinds of showers or these two kinds of kings, it unfortunately is the case that statistical significance is often interpreted—even by some researchers—to mean significance in a practical manner.

Veel meer over dit onderwerp lees je achter de volgende links.

Mss om te besluiten nog de conclusie en retorische vraag van Dr. Christopher Preston, statisticus aan de Universiteit van Adelaide, na zijn analyse van het onderzoek van Seralini;

 ”How then could Seralini get it so wrong? This could easily be dismissed as an argument between statisticians; however, the problems are so basic and so obvious that they show scientific incompetence, at best. It also raises questions about how the paper came to be published in the first place.What is worse is that this bad science is being used to influence the World’s media and decision makers. Greenpeace, who funded the paper, is hawking these statistical lies around. Clearly they are having influence for just last week the Minister for Agriculture in Western Australia used this as support for a moratorium on GM crops.”

Nieuwste studie omtrent invloed bt in combinatie met Glyfosaat

Eind 2011 werd er een nieuw artikel gepubliceerd door o.a. Prof. Séralini dat de invloed van de Cry1Ab and Cry1Ac Bt toxines apart of in combinatie met glyfosaat onderzocht aangaande toxische effecten op een humane nier-celkweek.  Het artikel besluit op basis van de uitgevoerde testen dat deze stoffen of combinaties van stoffen dus weldegelijk een toxisch in vitro effect vertonen.

Het artikel van Séralini werd reeds door verschillende wetenschappers in detail nagekeken en de uitgevoerde experimenten blijken opnieuw enkele fundamentele gebreken te bevatten naar design, uitvoering en besluitvorming. Dergelijk onderzoek wordt in een wetenschappelijke omgeving als irrelevant bevonden, jammergenoeg zijn er heel wat bewegingen, organisaties en personen die dergelijke verhalen graag oppikken. Uitgebreide analyses aangaande dit onderzoek van Séralini door enkele wetenschappers vind je terug in deze google+ discussie, ook in Forbes Magazine verscheen er een artikel met de titel “The Science of Things That Aren’t So“.

De belangrijkste opmerkingen hier samengevat:

  1. Verkeerdelijk citeren van onderzoek. Séralini citeert Paul 2010 als volgt; “digestion is never a complete process and insecticide toxins cannot be fully degraded in vivo”, echter blijkt uit het abstract van de geciteerde studie, “The results of the present study indicate that the recombinant Cry1Ab protein from MON810 is increasingly degraded into a small fragment during dairy cow digestion.”. Twee totaal verschillende zaken, zeker als je rekening houdt met het feit dat vertering van bt toxines ook in ander onderzoek werd aangetoond.
  2. Ook al kan het eventueel aangewezen zijn om bt toxines in hun pure vorm te testen (geproduceerd door bacteriën), was het voor toxicologisch onderzoek aangaande transgene gewassen logischer geweest om dan ook de toxiciteit van bt toxines te testen in de transgene plant of het op zijn minst uit dergelijke planten te extraheren.
  3. Het is totaal onzinnig en niet relevant om een pesticide te testen aan LC50 concentraties omdat niemand dergelijke concentraties via voeding kan binnenkrijgen. Ook de concentratie van bt waarbij een statistische significant effect kon aangetoond worden zijn compleet irrelevant. Een concentratie van 100 ppm zou willen zeggen dat een persoon van 90 kg ongeveer 11.800 kg bt-maïs moet verorberen. De concentraties bt die Séralini gebruikt liggen 67.000 keer hoger dan de hoogste concentratie die gemeten werd in de studie waarnaar ze refereren. (Een studie die dan op zich zelfs nog heel wat fundamentele gebreken vertoont, wat een referentie dus!) Andere studies vertonen nog lagere concentraties
  4. Séralini gaat in zijn artikel volledig en compleet voorbij aan de tientallen voedingsexperimenten die reeds werden uitgevoerd met behulp van bt-maïs en waarbij telkens dezelfde conclusie naar voor kwam, dat het eten van bt gewassen compleet veilig is. Een recent gepubliceerde meta-studie aangaande dergelijke experimenten werd nog niet zo lang gepubliceerd, waarin 24 dergelijke studies gebundeld werden, waarvan heel wat multi-generatie studies.
  5. Een cellenkweek is en blijft een cellenkweek en kan bijgevolg makkelijk de verkeerde antwoorden geven. Zeker als je rekening houdt met het enorme aantal studies (4) die de veiligheid van het eten van bt-gewassen onderstrepen.
  6. De auteurs vertonen een duidelijk gebrek aan kennis van de relevante literatuur en de literatuurstudie aangaande dit experiment is van bedenkelijk niveau. 25% van de referenties verwijzen naar onderzoek uitgevoerd door Séralini zelf. Daarnaast refereert men naar artikels die reeds lang als fundamenteel gebrekkig en dus irrelevant te boek staan. Mss wel het flagrantste feit is dat, ook al is er bitterweinig in vitro onderzoek over de invloed van bt toxines op celkweken bekend, de auteurs er blijkbaar niet in slagen om er naar te refereren. Het feit dat dit laatste onderzoek besloot dat er geen cytotoxiciteit kon waargenomen worden van bt toxines, zelfs bij heel hoge concentraties, zit daar misschien wel voor iets tussen…
  7. Niercellen behoeven serum om normaal te functioneren, het niet toevoegen van serum aan een celkweek kan leiden tot serum starvation. Séralini verklaart het niet toevoegen van serum door te zeggen dat de aanwezigheid van serum de cel necrose uitstelde… Dit verklaart vooral de noodzaak aan serum dus…
  8. In geen enkele van de experimenten gebruikt Séralini een controle-eiwit zoals bv. Albumine. Hoe kan je een uitspraak doen over de cytotoxiciteit van een bepaalde concentratie als je geen enkele controle meeneemt? Dit is echt onbegrijpelijk…
  9. Door het weglaten van serum staan de cellen onder verhoogde stress. Uit figuur 2b blijkt duidelijk dat het toevoegen van bt toxines de cellen net beschermt tegen de toxische effecten van RoundUp (meer dan waarschijnlijk de detergenten). Dit is net het OMGEKEERDE van een toxisch effect…
  10. Naakte cellen zijn extreem gevoelig voor minieme veranderingen aangaande hun “leefomgeving” omdat de bescherming die wij als zoogdieren bezitten tegen allerlei stoffen zich namelijk niet op celniveau bevindt. Die zit bij ons bv. in de barrière die we huid noemen. Een licht verhoogde zoutconcentratie van het medium zal er reeds voor zorgen dat een celkweek sterft, het is dus eigenlijk ook niet verwonderlijk dat bij dergelijke absurd hoge concentraties van gelijk welke stof een cytotoxisch effect wordt waargenomen. Neem bv. het RoundUp dat gebruikt wordt, dat bestaat voor ongeveer 42% uit detergenten, van detergenten is geweten dat ze cytototoxisch zijn voor een celkweek. Het cytotoxische effect waargenomen in deze experimenten is dus reeds perfect verklaarbaar door de aanwezigheid van deze detergenten.

Het is jammergenoeg typerend voor de ganse discussie omtrent ggo’s dat dergelijk extreem gebrekkig onderzoek zoveel aandacht krijgt, het leert ons echter wel heel wat over het wetenschappelijke niveau van bepaalde belangengroepen en individuen in dit gepolariseerde debat.