Ggo’s en kritisch denken, van debat naar discussie

Het is misschien niet echt verstandig om een stuk over drogredenen en kritisch denken te laten beginnen met iets wat weg heeft van een dubbel autoriteitsargument. Nochtans lijkt Baruch Spinoza’s idee, namelijk dat mensen door de rede tot elkaar kunnen komen, een veelbelovend uitgangspunt, zeker in een overwegend technische discussie. Combineren we dit met de idee van Etienne Vermeersch dat de echt vrije mens de mens is die over alle middelen beschikt om op een redelijke wijze zijn eigen mening te vormen, en dan hebben we toch twee voeten waarmee we ferm op vaste grond kunnen staan.

Eén van die middelen is kritisch denken, zeker geen luxe in een discussie waarin de grenzen tussen rationaliteit en emotionaliteit, wetenschappelijkheid en ideologie meer dan eens overschreden worden. Voor een tentatieve beschrijving van kritisch denken kunnen we terecht bij Wikipedia:

Kritisch denken is het proces dat of de methode van denken die vragen stelt bij veronderstellingen. [...] Kritisch denken verduidelijkt doelen, onderzoekt aannames, onderscheidt verborgen waarden, evalueert het bewijs, volbrengt acties en beoordeelt de conclusies.

Kritisch denken kan niet alleen helpen bij het opbouwen, maar ook bij het ontleden van al dan niet logische redeneringen en dus bij het onderscheiden van betrouwbare informatie en desinformatie. De clue zit ‘em natuurlijk in die “al dan niet logische redeneringen”, of, een stap verder, in de niet-logische redeneringen, de drogredenen (logical fallacies).

Een drogreden is een reden of redenering die wel aannemelijk lijkt, maar uiteindelijk niet klopt. Hoewel Plato en de geschiedenis, waarschijnlijk terecht, hard geoordeeld hebben over de beroepsfabrikanten van drogredenen, de Griekse sofisten, moet er toch ook op gewezen worden dat elke niet elke schijnreden het resultaat is van een bewuste fabricatie of manipulatie.

Drogredenen, een top drie

“The GM debate is as much a war of words as of facts”, zo schreef de linguïst Guy Cook in Genetically Modified Language (2004). Of, in de stringentere woorden van Michael Specter, auteur van Denialism (2009), tijdens een TED-talk in 2010:

Now, the most mindless epidemic we’re in the middle of right now is this absurd battle between proponents of genetically engineered food and the organic elite. It’s an idiotic debate. It has to stop. It’s a debate about words, about metaphors. 

De ggo-discussie is zo gepolariseerd en gepolitiseerd dat een invulling van de afkorting ggo op zich al meer dan waarschijnlijk een indicatie is aan welke kant van de frontlijn men zich heeft ingegraven. Opteert men voor het eerder neutrale”genetisch gemodificeerde (of gewijzigde) organismen”, dan zit men waarschijnlijk al in een andere loopgraaf dan mensen die liever spreken over het beladen “genetisch gemanipuleerde organismen”. Vanaf hier gaat de discussie dan meestal ook bergaf.

Onnodig om te zeggen dat termen als “veldbevrijding”, “aardappelruil”, “synthetische (aardappelen)” of “frankenfood” buiten elke redelijke discussie vallen wegens te ideologisch gechargeerd. Die woorden laten we dan ook graag aan taalkundige Guy Cook om te analyseren.

Een tweede grote probleem is een dubbele foute toepassing van het principe van de uitgesloten derde (tertium non datur), het uitsluiten van andere opties dan de geponeerde, het weggommen van een mogelijke tussenweg of -wegen.

De eerste foute toepassing is een juiste toepassing van het adagium dat Bush Jr. populariseerde: “Als je niet voor ons bent, dan ben je tegen ons.” Of, zoals Roger Scruton, een conservatieve Britse (milieu)filosoof, het verwoordde:

Try persuading ecologists who trample down genetically modified crops that there is as yet no clear scientific evidence that the crops are dangerous, and you will find yourself immediately stigmatized as the enemy.

In een tweede foute toepassing van de uitgesloten derde worden de posities verder verkarikaturiseerd: ofwel zullen ggo’s de wereld en de mensheid redden, ofwel zullen ze deze planeet en al zijn bewoners vernietigen. Mocht u nu denken aan een vals dilemma, dan laat u zich betrappen op wat in kritisch denkende kringen “nuance” wordt genoemd.

Het uitsluiten van een derde mogelijkheid (of meer) houdt trouwens weinig rekening met de genuanceerde opinies van prominente groene denkers en filosofen zoals de eerder vermelde Roger Scruton, Charles Secrett (Friends of the Earth), ex-Greenpeace-activist Patrick Moore, Stewart Brant, journalist en milieuactivist Mark Lynas. Of van wetenschappers als Jonathan Foley, agro-ecoloog John Reganold (Universiteit van Washington), hoofddocent aan de Ugent en groepsleider van het VIB Geert De Jaeger, en het echtpaar Pamela C. Ronald (geneticus) en R. W. Adamchak (bioboer), de auteurs van Tomorrow’s Table: Organic Farming, Genetics, and the Future of Food. Stuk voor stuk mensen die minstens bereid zijn een gediversifieerde aanpak van de landbouwproblemen te overwegen.

De nuance kan dan weer teniet worden gedaan door het derde grote probleem in het huidige ggo-debat: het argumentum ad hominem. Niet ongebruikelijk in een discussie waar emoties vaak hoger oplopen dan de argumentaties, waar de ego’s vaak groter zijn dan de ratio’s, is schelden. “Domme neo-Luddiet, achterlijke geitewollensokkenridder of dwaze technologisch conservatieve hippie” zijn klassiekers in het genre, met een bijna-Haddockiaanse envergure. Ad hominems helpen misschien bij het aflaten van stoom, maar anderzijds, zoals de goede kapitein ons óók geleerd heeft, dragen ze zelden bij tot een positief verloop van het debat. Meestal slaan ze de bal trouwens toch gewoon compleet mis. Kortom, menselijk al te menselijk, maar zeker niet bevorderlijk voor de discussie.

Overzicht van 20 drogredenen.

Laat ons (a) een échte discussie en (b) wat gras dat nog groen is

Uitgesloten derden, valse dilemma’s, echte drama’s. Met 70% van de consumenten tegen ggo’s (toegegeven, een populariteitsargument) is het geen makkie om een open discussie te voeren. Let wel, een discussie, niet een debat.

Er is geen behoefte meer aan een publiek debat, wat sommigen ook beweren. Een debat is een woordenstrijd, populariteitswedstrijd waarbij de politieke, ideologische partijen niet van hun mening wijken en de spreker met de meest catchy en fancy, emotionele en roerende oneliners het laken naar zich kan toetrekken. En misschien is het ondertussen zelfs hoog tijd geworden om de velden te bevrijden van luid roepende, debatterende ideologen die niet al te zeer gehinderd worden door al te veel vakkennis ter zake. Het Grote Gelijk kan niet overgelaten worden aan mensen die het aan hun laars lappen, letterlijk dan wel figuurlijk. Er wordt al genoeg gepalaverd, geluld en geconfabuleerd. Met een debat zitten we terug bij Guy Cooks “war of words”, terug bij de retoriek van de drogredenen, niet bij de eigenlijke inhoud van het onderwerp, de feiten, de redelijkheid.

Een redelijke discussie daarentegen is een gesprek, een dialoog waarbij de betrokken partijen elkaar van een standpunt trachten te overtuigen. Het begint en eindigt met de bereidheid om (a) de eigen mening eerlijk, open, logisch, wetenschappelijk onderbouwd uit te drukken en (b) de eigen mening te veranderen wanneer blijkt dat iemand anders’ argument even eerlijk, even open, even logisch, maar wetenschappelijk beter onderbouwd is. De uiteindelijke bedoeling is tot een conclusie te komen, een compromis of, een werk- en uitvoerbare tussenweg.