How to genetically modify a tomato and other things we eat

The production of genetically-modified (GM) foods remains a mystery to many.

Murray Ballard, a photographer, has visited the John Innes Centre – Europe’s largest independent research facility for the study of plant science and microbiology – with the aim of gaining a deeper understanding of genetic modification technology and its application in the development of crop plants.

The newspaper produced is divided into three scetions, each dealing with a different experiment.

From “How to genetically modify a tomato, and other things we eat” via John Innes Centre

De ogen van de patat

Alles op een hoop

Bijna niemand heeft een probleem met een genetisch gewijzigde bacterie die insuline aanmaakt. Maar in het GGO-debat worden alle genetisch gewijzigde planten als ongewenst beschouwd door tegenstanders. Er is geen plaats voor nuance. Anne Teresa De Keersmaeker maakt in De Standaard deze veelvoorkomende en veralgemenende claim: “Planten genetisch manipuleren en een GGO introduceren [in het milieu] is gevaarlijk voor onze planeet.” Dit kan maar op twee manieren mogelijk zijn: (a) alle methoden om een “vreemd” gen (transgen) in een plant te brengen zijn gevaarlijk of (b) elke “onnatuurlijke” wijziging aan het erfelijk materiaal van een plant is gevaarlijk. Beide mogelijkheden impliceren dat (de functie van) het transgen niet ter zake doet. Echter een realistische en genuanceerde visie op GMOs zou kunnen zijn: Niet alle GMOs zijn gevaarlijk of niet alle GMOs zijn ongevaarlijk. Het is de aard van het transgen en het gebruik van de GMO door de mens dat bepalend is voor de schadelijkheid ten opzichte van mens en milieu. Een extreem voorbeeld is dat een plant die het botulinum toxine (botox) aanmaakt uiteraard gevaarlijk zal zijn.

Ken je transgen

Wat is nu de aard van het aardappeltransgen in Wetteren? Het verwondert mij dat dit aspect nooit wordt aangehaald in het debat. Nochtans is het dus cruciaal te verstaan wat deze “resistentiegenen” juist zijn omdat dit bepalend is voor eventuele gevaarlijkheid. Doordat dit nooit wordt besproken ontstaat de gedachte dat onze kennis hieromtrent onvoldoende is en dat dit gewoon stukken DNA zijn die empirisch tot resistente planten leiden. Dankzij het wetenschappelijk onderzoek in de moleculaire biologie weten we echter duidelijk  wat de functie is van deze genen. Het is juist bij het “natuurlijk” veredelen van planten dat men de resistentie inkruist zonder te weten welke stukken DNA en dus welke functies geselecteerd worden. Bovendien worden bij het selectieproces genen mee geïntroduceerd die niets te maken hebben met de resistentie en (ook nu nog) een volledig onbekende functie hebben (zie Figuur). Indien de aard van het transgen de gevaarlijkheid bepaalt volgt hier uit dat veredeling gevaarlijker moet zijn dan genetische modificatie.

Kruisen vs GM -  (A) Het resistentiegen is aanwezig in de bruine variëteit welke gekruisd wordt met de in de landbouw gebruikte blauwe variëteit. Door vele jaren van terugkruisen met de blauwe varieteit kan met het gen inkruisen (B). Echter een gedeelte van het bruine genoom is "gelinkt" aan het transgen en is mee ingekruist eventueel samen met onbekende regio's die onbekende genen bevatten met onbekende functies.

Kruisen vs GM – (A) Het resistentiegen is aanwezig in de bruine variëteit welke gekruist wordt met de in de landbouw gebruikte blauwe variëteit. Door vele jaren van terugkruisen met de blauwe variëteit kan met het gen inkruisen (B). Echter een gedeelte van het bruine genoom is “gelinkt” aan het transgen en is mee ingekruist eventueel samen met onbekende regio’s die onbekende genen bevatten met onbekende functies.

Het immuunsysteem van planten.

Hoe planten zich verdedigen is een zeer interessant onderzoeksgebied. In een eerste verdedigingsmechanisme maakt de plant gebruik van sensoren (receptoren) aan de buitenkant van de plantencel die sterk geconserveerde structuren herkennen bij ziekteverwekkers zoals bv. het zweepstaartje van een bacterie. Het “LRR-gedeelte” van de sensor verschilt van receptor tot receptor en staat in voor de herkenning van de karakteristieke structuur van een ziekteverwekker. Wanneer herkend wordt er een verdedigingsmechanisme geactiveerd. Dit noemt met PAMP-triggered immunity (PTI).  Interessant weetje is dat u en ik op een zeer gelijkaardige manier met LRR-receptoren ziekteverwekkers herkennen, een geval van convergente evolutie.

Maar ziekteverwekkers zoals de aardappelziekte (Phytophthora) zijn geëvolueerd om deze barrière te omzeilen. Ziekteverwekkers die dat niet doen sterven natuurlijk uit. Ze injecteren met een moleculaire spuit tientallen eiwitten en andere moleculen (effectoren) in de plantencel die het eerste verdedigingsmechanisme uitschakelen. Planten evolueerden mee en maken nu ook intern LRR-receptoren aan die nu de effectoren herkennen in de cel in plaats van de ziekteverwekker buiten de cel (denk aan het zweepstaartje). Als een effector wordt herkend, lanceert de plant een tweede type verdediging dat de ziekteverwekker efficiënt uitschakelt. Dit noemt met Effector-triggered immunity (ETI).

Schematische voorstelling van het immuunsysteem van de aardappel. In het eerste geval herkent de aardappelcel Phytophtora dankzij receptoren (LRR) aan de buitenzijde van de cel. Hierdoor kan het een PTI-verdedigingsrespons opzetten en overleven. In het tweede geval injecteert Phytophtora effectoren in de cel die de PTI verhinderen. De aardappelziekte slaat dan toe. In het derde geval herkent de aardappelcel aan de hand van interne LRR receptoren een van de effectoren en start een ETI-verdedigingsmechanisme. Het zijn genen voor deze laatste interne LRR receptoren die in de Wetterse aardappelen werden ingebracht.

Schematische voorstelling van het immuunsysteem van de aardappel. In het eerste geval herkent de aardappelcel Phytophthora dankzij receptoren (LRR) aan de buitenzijde van de cel. Hierdoor kan het een PTI-verdedigingsrespons opzetten en overleven. In het tweede geval injecteert Phytophthora effectoren in de cel die de PTI verhinderen. De aardappelziekte slaat dan toe. In het derde geval herkent de aardappelcel aan de hand van interne LRR receptoren een van de effectoren en start een ETI-verdedigingsmechanisme. Het zijn genen voor deze laatste interne LRR receptoren die in de Wetterse aardappelen werden ingebracht.

 

Een evolutionaire wapenwedloop

Het gevolg is dat er een evolutionaire wapenwedloop is ontstaan tussen de ziekteverwekkers en de planten. De eersten komen steeds op de proppen met nieuwe types van effectoren en de planten reageren door hun receptoren aan te maken die de effectoren herkennen. Verschillende stammen van dezelfde ziekteverwekker maken een verschillend repertoire aan van deze effectoren. En ook in de natuurlijke populatie van een plant is er een al even verscheiden repertoire aan LRR-receptoren.

Als een bepaald aardappelras resistentie vertoont tegen een bepaalde ziekte is dat meestal omdat het een receptor aanmaakt die een effector van de ziekteverwekker herkent. Mensen hebben dan door te kruisen dit “resistentiegen” (R-gene) ingebracht in de variëteit die ze verbouwen. Dit is een proces dat zeer lang duurt. Bijvoorbeeld voor de “biologische” aardappel Bionica duurde het 46 jaar om 1 enkel R-gen in te kruisen. Welke andere genen mee ingekruist zijn – laat staan hun functie – is onbekend.

Biotechnologie

De R-genen zijn echter eenvoudig te herkennen door moleculair biologen. De meesten coderen voor deze LRR-receptoren en verschillen relatief weinig van elkaar. Door het genoom van de aardappel in kaart te brengen schat men het aantal R-genen op enkele duizenden per genoom. Het aantal in de populatie ligt nog een pak hoger uiteraard. Men kan door moleculaire technieken een R-gen isoleren en het inbrengen in de plant: de zogenoemde transformatie. Het is belangrijk om in te zien dat het verdedigingsmechanisme van de plant zelf wordt gebruikt om Phytophthora te bestrijden. Door de plant het juiste R-gen uit de populatie te geven help je enkel de patat zijn vijand te herkennen.

Doorbreken van resistentie

De aardappelplant moet dus maar één van de effectoren herkennen om zijn ETI verdedigingsmechanisme in te schakelen en immuun te zijn. Echter, wanneer een Phytophthora opduikt die deze effector niet meer heeft – maar nog steeds even ziekmakend is – dan is de plant ten dode opgeschreven. Natuurlijk is er in een monocultuur van aardappelen met exact hetzelfde repertoire aan R-genen een enorme druk op Phytophthora om die ene effector te verliezen of eventueel te vervangen door een andere uit de populatie. Vandaar dat verwacht wordt dat voor een resistente aardappel zoals Bionica de resistentie door 1 gen vlug zal worden doorbroken. De oplossing is om R-genen te “stacken”(stapelen) en ervoor te zorgen dat de effectoren van Phytophthora worden herkend door zo veel mogelijk R-genen en zo het doorbreken van resistentie onmogelijk te maken. Dit zal enkel mogelijk zijn met behulp van biotechnologie aangezien het inkruisen van 2 a 3 genen decennia zal duren.  Bovendien zal met veredelen andere kenmerken gewijzigd worden met onbekende resultaten op bv. smaak, kleur of resistentie tegen andere ziekten.

 

Mind the nuance: Louise O. Fresco

Op zaterdag 2 maart werd prof. dr. ir. Louise O. Fresco in het kader van Mind the Book in de Antwerpse deSingel op de rooster gelegd door Alma De Walsche. Zij interviewde Fresco naar aanleiding van het boek Hamburgers in het paradijsVoedsel in tijden van schaarste en overvloed. En voor een gesprek over die brik van ruim 500 pagina’s kregen beide dames helaas amper een uur toegemeten.

Louise Fresco werkte voor de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties en is momenteel verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Haar aandacht gaat uit naar de grondslagen van duurzame ontwikkeling in internationaal perspectief. Zij is lid van o.a. Académie d’agriculture de France en van de Royal Swedish Academy of Agriculture and Forestry.

De Walsche is journaliste bij MO*, waar zij vooral schrijft over Latijns-Amerika, de landbouw en ecologie.

Een samenvatting van het uiterst interessante interview lees je in zijn geheel op Skepfile.be

Kijk je liever wat video? Hier kun je een gesprek met L. Fresco bekijken dat handelt over haar boek, Hamburgers in het Paradijs.

WHO: Tot 500.000 kinderen worden ieder jaar blind omwille van vit A deficiëntie, de helft sterft.

This young boy has typical stigmata of severe vitamin A deficiency: Bitot's spot OD; and keratomalacia which led to a staphylomatous, xerotic cornea OS.

Vitamine A deficiëntie is in grote delen van de derde wereld nog steeds een oorzaak van enorm veel leed. Jammergenoeg zijn het dan nog vaak kinderen die hierdoor getroffen worden. Cijfers van het WHO wijzen er nogmaals op dat jaarlijks enorm veel mensen sterven aan een tekort aan deze belangrijke vitamine. 

Zogeheten “silver bullets” in de bestrijding van Vit A deficiëntie zijn er jammergenoeg niet. Het streven zou een voor iedereen toegankelijk en gevarieerd dieet moeten zijn, maar zolang we daar niet zijn is het aangewezen supplementen toe te voegen of aan fortificatie te doen. Het verrijken van stapelvoedsel is een bewezen en nog steeds vaak gebruikte methode om tekorten aan bepaalde nutriënten weg te werken, zelfs in gebieden waar een gevarieerd dieet vanzelfsprekend is. 

In de bestrijding van vitamine A deficiëntie zou gouden rijst een belangrijk hulpmiddel kunnen zijn. Natuurlijk geen heiligmakende oplossing, niet in het minst omdat in vele gebieden waar vitamine A deficiëntie heerst, rijst een beperkte tot geen rol speelt in het dagelijkse dieet. Voor deze gebieden worden ook andere stapelgewassen, zoals bv. cassava verrijkt met vitamine A. Maar waar wel rijst gegeten wordt, kan het een enorm verschil maken. Amper 100-150 gr (gekookte) rijst per dag bevat 60% van de vit A behoefte voor kinderen tussen 6-8 jaar.

Jammergenoeg voeren heel wat NGOs, met Greenpeace op kop, een ideologische hetze tegen gouden rijst die er samen met een absurd ggo-specifiek regularisatieproces voor zorgden dat dit project reeds meer dan tien jaar vertraging opliep. Zelfs met enorm conservatieve schattingen kostte deze vertraging het leven van tienduizenden tot honderdduizenden kinderen. Is deze ideologische strijd tegen 1 welbepaalde veredelingstechniek echt het leven van honderdduizenden kinderen waard?

Veel meer info over het gouden rijst project via goldenrice.org.

SHOCKING! Of ook wel post hoc ergo propter hoc.

Reeds verschillende jaren wordt door verlichte geesten (ad hominem) aangetoond dat de toename van allergieën, kanker en zelfs autisme veroorzaakt worden door ggo’s. Niet dat daar bewijs voor hoeft te zijn, maar een beetje holistisch nadenken doet eenieder, behalve Monsanto shills, tot dezelfde conclusie komen. De echt verlichte goeroes zijn nóg genuanceerder. Ze beweren niet gratuit dat dergelijke causatie bestaat, maar beëindigen hun betoog telkenmale met “Toeval?”. Volgens mij is dat een bepaalde toepassing van het voorzorgsprincipe. Zolang niet met 100% zekerheid kan gezegd worden dat ggo’s kanker, allergieën en autisme veroorzaken, dan kan je dit niet zomaar gratuit beweren, ook al past het perfect in je ideologische plaatje en ben je er eigenlijk al lang van overtuigd. “Toeval?” zorgt ervoor dat je én je gal kan spuigen én je jezelf voor kan houden rechtlijnig of intellectueel correct te zijn. Of zoiets.

Een van die eeuwige discussies kan nu echter beëindigd worden. Het enige, echte en sluitende bewijs is geleverd. De hypothese dat ggo’s de opmars van autisme veroorzaken in de US blijkt nu toch wel niet te kloppen zeker! Nope, het blijken die vermaledijde biologische producten te zijn. Toeval?

Bt Cotton, Question and answers, a book by K.R. Kranthi

Foreword

No question is so difficult to answer as that to which the answer is obvious’ –George Bernard Shaw.

The success story of Bt-cotton in India is obvious, but it has indeed become strangely, circumspect to affirmatively answer the ‘obviously easy to answer’ question -‘has Bt-cotton succeeded in India in combating the bollworm menace?’ The answer lies in the simple fact that farmers have endorsed the technology in a vast majority. If Bt-cotton would not have controlled bollworms, the technology would not have moved the distance it has today.

There may be a need for refinement and constant changes are always inbuilt into science. While we progress with advanced technologies for sustainable growth and prosperity, environment should always be uppermost in our minds. Questions must be asked and concerns will be raised, but, science must provide answers and solutions. Bio-safety concerns are paramount to all of us. Answers should be forthcoming from good robust scientific experiments. We need not shy away from moving forward to develop GM technologies in a manner that is profoundly acceptable to the ecology, environment and society. But, any new technology must be compared to the previously used technologies and evaluated for the trade-off benefits, checks and balances and economic gain of the farmers.

It is clear that there is hardly any technology that can be 100.0% safe to everything. Interestingly, Bt-cotton is one of the few technologies having the safest bio-safety profiles. It comes as an alternative to the previously used hazardous concoction of insecticide mixtures. The insecticides used on cotton were known to have ravaged ecology, disrupted the environment, played havoc with human and animal health, were toxic to honey bees, insect-parasitoids and predators, caused allergies and a myriad number of ill-effects. Bt-cotton removed that to a great extent. Strangely, this seems to have been less acknowledged by detractors of the Bt-cotton technology. It is true that insecticides are now being used for sap-sucking pest control on Bt cotton hybrids, but, as mentioned in this book, the increase is because of the susceptible hybrids and has nothing to do with Bt-technology. We cannot afford to move back towards the pesticide era. By all scientific standards, Bt GM Cotton technology is by far the most environment friendly technology available thus far. We must however develop varieties and hybrids that show comprehensive resistance to sucking pests through resistant germplasm sources and to bollworms through Bt genes. This is possible through good plant breeding efforts. Once this is done, it is for sure that insecticide usage will be substantially reduced.

Bt-cotton was the first of GM technologies to be introduced into India. It is beyond doubt that farmers preferred Bt-cotton instead of the hazardous insecticide-cocktails for bollworm control. It is true that because of huge investment potential, multinational companies had the edge to develop the technology more efficiently and at a faster pace, compared to many public sector institutions across the world. But, GM technologies are being developed now more easily than before, as the transformation technology itself has advanced tremendously. India cannot afford to lose the competitive edge in agriculture, in the international arena, by slowing down biotechnology applications in agriculture. While we move forward, it surely becomes everybody’s responsibility to use the best science based technologies available to the farmer after weighing out all concerns and consequences, but, we need to move forward to face future challenges of burgeoning food and clothing demands of the ever-increasing populace.

I congratulate Dr Kranthi for the good effort in bringing out all possible facets of the Bt-cotton technology, especially from the Indian perspective, in the form of questions and answers, which makes the book readable. I hope that this book will enable all stakeholders for better understanding so as to assist in proper assessment of the technology in as rationally a manner as possible.

The book is accessible in its entireness here.

Why Are Environmentalists Taking Anti-Science Positions?

Fred Pearce, een gekende journalist die vaak over milieuzaken publiceert, schreef onlangs in het gezaghebbende Yale Environment 360 een opiniestuk met de titel “Why Are Environmentalists Taking Anti-Science Positions?”. Hij is de zoveelste in een rijtje (van ecopragmatisten) die de dogmatische stromingen omtrent sommige topics, die jammergenoeg in de milieubeweging binnengeslopen zijn, in vraag stelt.

On issues ranging from genetically modified crops to nuclear power, environmentalists are increasingly refusing to listen to scientific arguments that challenge standard green positions. This approach risks weakening the environmental movement and empowering climate contrarians.

by fred pearce

From Rachel Carson’s Silent Spring to James Hansen’s modern-day tales of climate apocalypse, environmentalists have long looked to good science and good scientists and embraced their findings. Often we have had to run hard to keep up with the crescendo of warnings coming out of academia about the perils facing the world. A generation ago, biologist Paul Ehrlich’s The Population Bomb and systems analysts Dennis and Donella Meadows’ The Limits to Growth shocked us with their stark visions of where the world was headed. No wide-eyed greenie had predicted the opening of an ozone hole before the pipe-smoking boffins of the British Antarctic Survey spotted it when looking skyward back in 1985. On issues ranging from ocean acidification and tipping points in the Arctic to the dangers of nanotechnology, the scientists have always gotten there first — and the environmentalists have followed.

And yet, recently, the environment movement seems to have been turning up on the wrong side of the scientific argument. We have been making claims that simply do not stand up. We are accused of being anti-science — and not without reason. A few, even close friends, have begun to compare this casual contempt for science with the tactics of climate contrarians.

That should hurt.

Het volledige en zeer interessante opiniestuk vind je terug op de Yale 360 site. Hier gaat journalist Keith Kloor in een blogpost ook dieper in op deze materie. 

Nieuwe studie die de veiligheid van Bt-maïs onderschrijft

Effects of Feeding Bt Maize to Sows during Gestation and Lactation on Maternal and Offspring Immunity and Fate of Transgenic Material

Background

We aimed to determine the effect of feeding transgenic maize to sows during gestation and lactation on maternal and offspring immunity and to assess the fate of transgenic material.

Methodology/Principal Findings

On the day of insemination, sows were assigned to one of two treatments (n = 12/treatment); 1) non-Bt control maize diet or 2) Bt-MON810 maize diet, which were fed for ~143 days throughout gestation and lactation. Immune function was assessed by leukocyte phenotyping, haematology and Cry1Ab-specific antibody presence in blood on days 0, 28 and 110 of gestation and at the end of lactation. Peripheral-blood mononuclear cell cytokine production was investigated on days 28 and 110 of gestation. Haematological analysis was performed on offspring at birth (n = 12/treatment). Presence of the cry1Ab transgene was assessed in sows’ blood and faeces on day 110 of gestation and in blood and tissues of offspring at birth. Cry1Ab protein presence was assessed in sows’ blood during gestation and lactation and in tissues of offspring at birth. Blood monocyte count and percentage were higher (P<0.05), while granulocyte percentage was lower (P<0.05) in Bt maize-fed sows on day 110 of gestation. Leukocyte count and granulocyte count and percentage were lower (P<0.05), while lymphocyte percentage was higher (P<0.05) in offspring of Bt maize-fed sows. Bt maize-fed sows had a lower percentage of monocytes on day 28 of lactation and of CD4+CD8+ lymphocytes on day 110 of gestation, day 28 of lactation and overall (P<0.05). Cytokine production was similar between treatments. Transgenic material or Cry1Ab-specific antibodies were not detected in sows or offspring.

Conclusions/Significance

Treatment differences observed following feeding of Bt maize to sows did not indicate inflammation or allergy and are unlikely to be of major importance. These results provide additional data for Bt maize safety assessment.

Volledige artikel vind je hier. 

Gouden Rijst Werkt!

Background: Golden Rice (GR) has been genetically engineered to be rich in b-carotene for use as a source of vitamin A.
Objective: The objective was to compare the vitamin A value of b-carotene in GR and in spinach with that of pure b-carotene in oil when consumed by children.
Design: Children (n = 68; age 6–8 y) were randomly assigned to consume GR or spinach (both grown in a nutrient solution contain- ing 23 atom% 2H2O) or [2H8]b-carotene in an oil capsule. The GR and spinach b-carotene were enriched with deuterium (2H) with the highest abundance molecular mass (M) at Mb-C+2H10. [13C10]Ret- inyl acetate in an oil capsule was administered as a reference dose. Serum samples collected from subjects were analyzed by using gas chromatography electron-capture negative chemical ionization mass spectrometry for the enrichments of labeled retinol: Mretinol+4 (from [2H8]b-carotene in oil), Mretinol+5 (from GR or spinach [2H10]b- carotene), and Mretinol+10 (from [13C10]retinyl acetate).
Results: Using the response to the dose of [13C10]retinyl acetate (0.5 mg) as a reference, our results (with the use of AUC of molar enrichment at days 1, 3, 7, 14, and 21 after the labeled doses) showed that the conversions of pure b-carotene (0.5 mg), GR b-car- otene (0.6 mg), and spinach b-carotene (1.4 mg) to retinol were 2.0, 2.3, and 7.5 to 1 by weight, respectively.
Conclusions: The b-carotene in GR is as effective as pure b-carotene in oil and better than that in spinach at providing vitamin A to chil- dren. A bowl of w100 to 150 g cooked GR (50 g dry weight) can provide w60% of the Chinese Recommended Nutrient Intake of vitamin A for 6–8-y-old children.

Volledige artikel vind je hier.  

Meer info omtrent gouden rijst vind je op de site van IRRI. 

Als je ratten gebruikt met 72% kans op tumorontwikkeling, dan vind je waarschijnlijk ook tumoren!

via The Genetic Tomato (@Gentomaat)

Update 2

Ondertussen lopen de eerste officiële en uitgebreidere wetenschappelijke analyses en commentaren op de studie van Séralini binnen.

Een Nederlandstalige analyse vind je in deze publicatie van het VIB.
Een Engelstalige analyse vind je via het EFSA. 

In de laatste uitgave van FCT staan maar liefst 17 letters to editor en andere commentaren op de Séralini studie.

Op 19 september lanceerde Séralini een nieuwe studie waarin hij schijnbaar aantoont dat het eten van GGO’s kankerverwekkend is. Dat er een grote mediacampagne opgezet werd, konden we merken in de pers. Maar is dit wel terecht? Of past deze studie eerder in het rijtje van zijn vorige studie’s, die achteraf extreem gebrekkig bleken en al lang door verschillende experts onderuit gehaald werden. Eerst en vooral de paper waar het dus over gaat met als titel; “Long term toxicity of a Roundup herbicide and a Roundup-tolerant genetically modified maize”.

Dat dit de eerste langetermijnstudie zou zijn is natuurlijk complete onzin. Bv. uit dezelfde, ja dezelfde journal dit overzicht. Maar ook hier vind je een uitgebreide bloemlezing. Nogal onbegrijpbaar dat Séralini, waarvan je toch zou verwachten dat hij zijn literatuur kent, in zijn artikel nergens naar dergelijke studies verwijst. Studies die er zijn, beter uitgevoerd zijn en die compleet het tegenovergestelde van wat hij stelt aantonen. Dat laatste zou er natuurlijk ook wel voor iets tussen kunnen zitten…

Inhoudelijk zijn er bij deze studie heel wat vraagtekens te zetten bij zowel de methodologie, resultaten als presentatie van het geheel. De lijn in die commentaar komt hoofdzakelijk overeen met het gebrekkige onderzoek dat door hem reeds werd gepubliceerd en op deze site grondig becommentarieerd werd. Een overzicht van commentaren op de studie vind je onderaan dit artikel, hier alvast enkele samengevat.

- Een van de belangrijkste is echter het gebruik van SD ratten. Séralini vergeet “toevallig” te vermelden dat deze soort enorm vatbaar is voor het ontwikkelen van kankers. Tot 86% van de mannelijke en 72% van de vrouwelijke ratten blijken spontaan kanker te vertonen voor het bereiken van de leeftijd van 2 jaar. Andere studies bevestigen hoge percentage van spontane tumorontwikkeling. Dit in combinatie met beperkte aantallen ratten per (controle) groep, maakt het mogelijk om de resultaten van Séralini puur op basis van kans te bekomen. Die foto’s met enorme kankergezwellen hadden dus evengoed controles geweest kunnen zijn. De wetenschappelijke relevantie van die figuren? Nihil!

- Men geeft in de paper zelf toe aan cherrypicking te doen en enkel de “mooiste” resultaten te vermelden. (‘All data cannot be shown in one report and the most relevant are described here’ ). Nochtans bestaat er zoiets als supplemental material als je niet alles in je paper zelf krijgt.

- Op geen enkele manier kan Séralini een dose-response relatie aantonen, enorm bevreemdend net omdat bijna alle toxische effecten dergelijke relatie vertonen. Séralini verklaart dit door te stellen dat het effect aan zeer lage concentraties optreedt en dan gelijk blijft voor hogere concentraties. Ten eerste is dat een conclusie die je uit deze data niet zomaar kunt trekken en daarnaast is het feit dat er helemaal geen effect is van R en GMO minstens even waarschijnlijk.

En nog twee mss heel specifieke voorbeelden:

-Uit figuur 1 blijkt dat de mannelijke ratten gevoed op op GMO of Roundup bij de hoogste gebruikte concentraties langer leven als de controle groep zonder GMO of R. Uit figuur 2 zou dan moeten blijken dat diezelfde mannetjes vroeger tumoren ontwikkelen…
-In tabel 3 zie je dan weer dat effecten van Roundup (A) (1 miljardste procent R) in veel gevallen een groter effect heeft dan (C), de hoogste concentratie R, namelijk 0.5%.

(Wie figuur 1 ook verwarrend vindt kan hier wat extra uitleg verkrijgen.)

Uit dergelijke resultaten kun je niets anders besluiten dan dat het om natuurlijke, experimentele variatie gaat.

Er valt verder nog heel wat commentaar te geven (zie refs bovenaan), maar de bottom line is toch wel dat dit sub-standaard onderzoek is waarvan het eigenlijk onbegrijpbaar is dat het door peer-review geraakt is. Uiteindelijk toont dit onderzoek aan dat SD ratten heel vaak deze vorm van kanker ontwikkelen voor het bereiken van de leeftijd van 2 jaar. Niets nieuws dus, want dat weten we reeds uit dat onderzoek uit 1979. Het heeft echter niets met GGO noch met R te maken.

Ook de communicatie omtrent de ganse studie is op zijn zachtst gezegd nogal vreemd. Zo hadden journalisten reeds toegang tot de studie, vooraleer ze gepubliceerd werd in Food and Chemical Toxicology, maar werd het hen verboden om buitenstaanders en experten om een mening te vragen bij het schrijven van hun artikels?! En op 20 september wordt op een persconferentie in het Europese Parlement het onderzoek voorgesteld en toegelicht door Séralini en EP Corinne Lepage, die toevallig net haar anti-ggo boek publiceert. Gaat het nu om de wetenschap of om politiek gewin? Dat volgende week ook Séralini een anti-ggo boek lanceert en een anti-ggo film mét deze tumor foto’s (voor hen geen embargo) maakt natuurlijk veel duidelijk.

Het is ook bevreemdend om te merken dat bepaalde mensen steeds op hun achterpoten gaan staan als blijkt dat onderzoek belangenconflicten vertoont of gesponsord werd door multinationals en er hier blijkbaar geen vuiltje aan de lucht is. Het feit dat Séralini, die zichzelf verleden jaar nog uitriep tot “International scientist of the year” voor het luttele bedrag van 375$ via CRIIGEN sterke banden onderhoudt met Greenpeace, dat Séralini een anti-ggo agenda heeft, anti-ggo boeken schrijft en het onderzoek voor meer dan 3 miljoen euro gesponsord werd door Auchan, Carrefour en FPH is hier dan geen probleem?

Update

Een belangrijk punt dat door o.a. “memsommerville” geopperd wordt en waar in dit artikel dieper op ingegaan wordt belangt het standaard voedsel van laboratten. Reeds meer dan een decennium bevat het voedsel van laboratten in Amerika ggo’s, in Europa is dit minder gebruikelijk, maar niet volledig uit te sluiten. Hoe komt het dat in al die jaren in alle wetenschappelijke experimenten die op ratten werden uitgevoerd dergelijke toename in tumorontwikkeling, ten opzichte van de vorige decennia, onzichtbaar is gebleven? Of hoe komt het dat Europese labo-ratten niet langer leven in afwezigheid van ggo-voedsel?

Overzicht commentaren

-Stenographers, anyone? GMO rat study authors engineered embargo to prevent scrutiny
-Was Séralini GMO study designed to generate negative outcome?
-Under Controlled: Why the New GMO Panic Is More Sensational Than Sense
-I smell a rat.
-Monsanto’s GM Corn And Cancer In Rats: Real Scientists Deeply Unimpressed. Politics Not Science Perhaps?
-Expert reaction to GM maize causing tumours in rats
-Why I think the Seralini GM feeding trial is bogus
-in which I blow a gasket and get very uppity about this GM-food study which appears to have everyone going nuts at the moment
-Study linking GM crops and cancer questioned
-NK603
-Society of Biology responds to latest GM food study
-GM Corn-Tumor Link Based on Poor Science
-Franse studie met genetisch gemodificeerde mais onder vuur
-Proof Perfect That The Seralini Paper On GM Corn And Cancer In Rats Is Rubbish
-From Darwinius to GMOs: Journalists Should Not Let Themselves Be Played
-Was it the GMOs or the BPA that did in those rats?
-Summary of criticism and questions on “Long term toxicity of a Roundup herbicide and a Roundup-tolerant genetically modified maize” collated from published expert commentary and from correspondence with Sense About Science.
-Pour quelques rats de plus
-Derrière l’étude qui dézingue les OGM…
-GMO Opponents Are the Climate Skeptics of the Left
-Lacunes, résultats inexplicables: l’étude anti-OGM sur la sellette
-Les dégâts collatéraux d’une « étude choc » sur les OGM qui fait « pschitt »